

Verwerking van hennep in de oude tijd
Hennepstengels werden geoogst en vervolgens voor korte tijd in greppels of vijvers gelegd die aan de akkers grensden. Daar begon het afbraakproces dat 'roten' wordt genoemd. Bacteriën braken de verbindingen tussen de bastvezels af zodat zij van elkaar loskwamen. Daarna werden de stengels gedroogd en in een zogenaamde ‘breker’ behandeld, om zo de bastvezel van de binnenste houtkern los te werken. Na het breken werd met een plathout op de vezelbundels geslagen om de laatste stukjes houtkern te verwijderen. Vervolgens werden de vezels over de hekel gehaald. De vezels werden over ijzeren ‘borstels’ van verschillende grootte getrokken, zogenaamde hekels dus. De gehekelde vezels werden tot touw geslagen en gevlochten of tot fijn garen gesponnen. Boerinnen en wevers verwerkten deze hennepgarens tot textiel.


